De gemeente moet de WOZ-waarde van een woning berekenen op ‘waarde in het economische verkeer’. Dit is de waarde bij overdracht van het volle en onbezwaarde eigendom van de woning, waarbij de verkrijger de onroerende zaak direct en volledig kan gebruiken. De bepaling van de WOZ-waarde doen gemeenten veelal aan de hand van transactiegegevens van referentiepanden. Dit zijn panden die vergelijkbaar zijn met de woning waarvan de WOZ-waarde wordt vastgesteld.
In de praktijk blijkt een tweetal argumenten succesvol bij het bezwaar maken tegen de WOZ-woning:
- Door aan te tonen dat de referentiepanden niet of onvoldoende vergelijkbaar zijn met de woning in kwestie.
- Door aan te tonen dat er sprake is van waardedrukkende facturen. Dit kan bijvoorbeeld een compleet verouderde badkamer of keuken zijn of kozijnen die dringend vervangen dienen te worden.
Het is hierbij belangrijk dat het objectieve factoren betreft die voor iedereen waardeverminderend zouden zijn. De rechter houdt namelijk geen rekening met subjectieve factoren. Bij de Hoge Raad, 06.01.2017 (HR:2017:12), speelde een zaak over een woningeigenaar die vond dat zijn schuur onvoldoende lichtinval had. Hij kon dit niet verhelpen vanwege een ruzie met de buren. Hier ging de rechter niet in mee. Hij oordeelde dat de woning door de donkere schuur niet minder bewoonbaar is. Een andere bewoner zou bovendien misschien geen ruzie met de buren hebben, zodat hij het ‘mankement’ mogelijk zou kunnen oplossen.