Werknemers bouwen gedurende het jaar 8% vakantiegeld over het brutoloon op. Dit wordt jaarlijks in mei of juni uitbetaald. De Belastingdienst belast het vakantiegeld, net als alle andere bijzondere beloningen zoals een eindejaarsbonus en overwerk, op een andere manier dan het ‘gewone maandelijkse loon’. De Belastingdienst noemt de belasting over deze vormen van inkomen het ‘bijzonder tarief’.
Nederland kent een progressief belastingstelsel met vier belastingschijven: hoe meer je verdient, hoe hoger het belastingtarief. Op het moment dat regulier loon uitbetaald wordt, valt een deel van het inkomen in de laagste schijf, een deel in de tweede schijf en eventueel een deel in de derde of vierde schijf. Hier houdt de Belastingdienst elke maand rekening mee. Je vakantiegeld komt daarentegen bovenop het loon en valt daarom altijd in de hoogste geldende schijf. Daarom wordt hier in verhouding meer belasting over ingehouden.
Daarnaast heeft iedereen recht op loonheffingskortingen, waardoor je minder belasting over je loon betaalt. De Belastingdienst verrekent deze kortingen elke maand met het loon, maar doet dat niet met het vakantiegeld. Hierdoor lijkt het alsof over het vakantiegeld meer belasting betaald wordt dan over het loon.
Er wordt over het vakantiegeld dus per saldo meer ingehouden dan over regulier loon en over het reguliere loon wordt over de rest van het jaar relatief minder loonbelasting ingehouden. Bij de aangifte inkomstenbelasting aan het einde van het jaar wordt dit met elkaar verrekend. Per saldo wordt er derhalve niet meer belasting betaald over vakantiegeld.
Er dient bij de uitkering van het vakantiegeld door werkgevers relatief meer loonheffing afgedragen te worden. Hierdoor hoeft er minder nettoloon uitbetaald te worden. De bruto lonen betreffen namelijk de kosten voor de werkgever. Deze zijn dus niet hoger door het toepassen van het ‘bijzonder tarief’ door de Belastingdienst.