Zakelijke kosten drukken het resultaat van een onderneming en verlagen daarmee de belastingdruk. Ondernemers declareren daarom regelmatig een diner buiten de deur als zakelijke kosten. Een recente uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 16.03.2017 (GHSHE:2017:79), steekt echter een stokje voor het onbeperkt zakelijk opvoeren van deze kosten.
Tijdens een boekenonderzoek van een adviesbureau valt het oog van de inspecteur op een totaal van bijna € 14.000 aan verkoopkosten. Nader onderzoek wijst uit dat deze kosten nagenoeg geheel bestaan uit etentjes in restaurants van cliënten. De ondernemer kan daarnaast geen enkel inzicht geven in het zakelijke karakter van deze kosten. Dit vindt de inspecteur te gortig en stelt zich op het standpunt dat deze kosten slechts voor 25% als zakelijk aangemerkt kunnen worden. De overige 75% wordt als privé uitgave aangemerkt en zodoende niet in de winstberekening van de onderneming meegenomen.
De ondernemer gaat in beroep tegen de uitspraak, waarna de zaak voor het hof komt. Het is aan de ondernemer om de zakelijkheid van de kosten aan te tonen. Dit probeert hij door te stellen dat hij regelmatig deze diners combineert met het uitwisselen van stukken met de cliënten. Ook nieuwe cliënten zouden tijdens deze etentjes geworven zijn. Een concrete onderbouwing hiervan ontbreekt echter. Het hof oordeelt dat dit te mager is en stelt de inspecteur in het gelijk.
Het is derhalve belangrijk goed vast te leggen met wie en waarvoor het zakelijke diner plaatsvindt. Dit kan bijvoorbeeld door achterop de bon de namen van de tafelgenoten en de aanleiding of het doel van het diner te schrijven. Hierdoor kan achteraf makkelijker aangetoond worden dat de gemaakte kosten zakelijk zijn.
Dinerkosten vallen overigens onder de zogenoemde gemengde kosten. Hiervan oordeelt de Belastingdienst dat er een dermate privékarakter aan deze kosten zit dat deze niet geheel fiscaal aftrekbaar zijn. Er wordt in de fiscale aangiften daarom een correctie van 26,5% van deze kosten gemaakt.